Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens deed op 15 september 2026 uitspraak in *Benli tegen Türkiye *(nr. 29949/20) en stelde op twee punten een schending van artikel 8 van het Verdrag vast. Het arrest werd unaniem gewezen door een comité van drie rechters, een samenstelling die wordt gebruikt voor zaken waarop vaste rechtspraak van het Hof van toepassing is. Het arrest is definitief en kan niet naar de Grote Kamer worden verwezen.
Verzoeker Salih Benli, die destijds rechter was, werd op 21 juli 2016, zes dagen na de couppoging, aangehouden op beschuldiging van lidmaatschap van een gewapende terroristische organisatie. Hij werd eerst vastgehouden in Diyarbakır en vanaf 17 augustus 2016 in de hoogbeveiligde T-typegevangenis van Şanlıurfa. Hij werd in eerste aanleg veroordeeld en op 23 maart 2018 vrijgelaten.
Volgens de eigen uiteenzetting van de Turkse regering had Benli tussen 1 september 2016 en 23 maart 2018 vijftien gesprekken met zijn advocaat. Op alle vijftien gesprekken werd toezicht gehouden, waarbij telkens een ambtenaar in de kamer aanwezig was.
De maatregel was gebaseerd op een kennisgeving van het parket van Diyarbakır van 23 juli 2016, waarin een beroep werd gedaan op artikel 6, lid 1, onder d), van Nooddecreet nr. 667. Die kennisgeving droeg de gevangenisadministratie op een ambtenaar aanwezig te laten zijn bij gesprekken tussen gedetineerden en hun advocaten en documenten die zij onderling uitwisselden, evenals de aantekeningen die zij tijdens die gesprekken maakten, in beslag te nemen.
Het Hof oordeelde dat de beoordelingsvrijheid die deze bepaling aan aanklagers verleende aan geen enkele voorwaarde was gebonden, dat de reikwijdte en de wijze van uitoefening ervan niet waren omschreven en dat er geen specifieke waarborgen waren voorzien. Daardoor kon de toepassing ervan willekeurig zijn en was zij onverenigbaar met het vereiste van rechtmatigheid uit artikel 8. Het Hof volgde zijn arrest uit 2023 in *Canavcı e.a. tegen Türkiye *en zag geen reden om daarvan af te wijken.
Turkije beriep zich op de afwijking van 21 juli 2016 op grond van artikel 15. Het Hof oordeelde dat het ontbreken van waarborgen tegen willekeur en misbruik in artikel 6, lid 1, onder d), niet door die afwijking kon worden gerechtvaardigd.
Wat het tweede onderdeel betreft, oordeelde het Hof dat het registreren en opslaan van Benli’s brieven aan zijn echtgenote in het Nationaal Justitieel Netwerksysteem (UYAP) niet in overeenstemming met de wet was. Het Hof volgde *Nuh Uzun e.a. tegen Turkije *(2022), waarin het had geoordeeld dat de brieven van het ministerie van Justitie waarop deze praktijk was gebaseerd nooit aan de gedetineerden waren meegedeeld en daardoor niet voldeden aan het vereiste van de kwaliteit van de wet. Turkije voerde aan dat het opgeslagen materiaal in maart 2022 was verwijderd. Het Hof merkte op dat de betrokken waarborgen pas van kracht werden lang nadat de maatregel op Benli was toegepast.
Benli diende in januari 2017 een klacht in bij de strafuitvoeringsrechter van Şanlıurfa, maar die werd afgewezen. Ook zijn bezwaar werd door de Rechtbank voor Zware Strafzaken van Şanlıurfa verworpen. In maart 2017 wendde hij zich tot het Turkse Grondwettelijk Hof, waarbij hij zich rechtstreeks op artikel 8 beriep en verwees naar de rechtspraak van Straatsburg. In maart 2020 verklaarde dat hof zijn verzoek niet-ontvankelijk. Het behandelde zijn klacht over het toezicht op de gesprekken met zijn advocaat als een klacht over de tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van zijn verdediging en verwierp die wegens niet-uitputting van nationale rechtsmiddelen omdat zijn strafprocedure nog liep. De overige klachten werden als kennelijk ongegrond afgewezen.
Voor het Hof in Straatsburg herhaalde de regering het argument dat de nationale rechtsmiddelen niet waren uitgeput. Het Hof verwierp dit en oordeelde dat Benli zijn klacht over zijn privéleven wel degelijk voor het Grondwettelijk Hof had aangevoerd.
Benli vorderde 15.000 euro aan immateriële schadevergoeding en 6.000 euro aan kosten. Het Hof kende hem respectievelijk 2.000 euro en 500 euro toe.
De aanvraag werd op 29 juni 2020 ingediend en zes jaar en drie maanden later beslist, in een samenstelling die is voorbehouden voor rechtsvragen die het Hof als reeds door vaste rechtspraak beantwoord beschouwt.
Bronnen
EHRM, Benli tegen Türkiye, nr. 29949/20, 15 september 2026: https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-252298
Stockholm Center for Freedom, 15 september 2026: https://stockholmcf.org/ecthr—faults-turkey-over-monitoring-of-imprisoned-judges-lawyer-meetings-correspondence/
Juridische toelichting
Vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt (artikel 8 EVRM).
Canavcı e.a. tegen Türkiye, nrs. 24074/19 en 2 andere, 14 november 2023: dit is het voornaamste arrest over het toezicht op gesprekken tussen gedetineerden en hun advocaten op grond van artikel 6, lid 1, onder d), van Nooddecreet nr. 667. Het Hof oordeelde dat de beoordelingsvrijheid van het openbaar ministerie om vertrouwelijke communicatie tussen advocaat en cliënt te beperken onvoldoende was afgebakend wat betreft reikwijdte en wijze van uitoefening en niet gepaard ging met adequate waarborgen tegen willekeur en misbruik. De inmenging was daarom niet “bij wet voorzien”. Het ontbreken van dergelijke waarborgen kon niet worden gerechtvaardigd door de afwijking van Türkiye op grond van artikel 15.
Niemietz tegen Duitsland, nr. 13710/88, 16 december 1992: artikel 8 strekt zich ook uit tot de beroepsruimten van advocaten en huiszoekingen die het beroepsgeheim aantasten vereisen passende waarborgen. Campbell tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 13590/88, 25 maart 1992: de verhouding tussen advocaat en cliënt is in beginsel vertrouwelijk en vertrouwelijke correspondentie met een advocaat geniet bescherming op grond van artikel 8.
VN-Basisbeginselen betreffende de rol van advocaten (1990), beginsel 22: overheden moeten de vertrouwelijkheid van communicatie en overleg tussen advocaten en hun cliënten binnen hun professionele relatie erkennen en respecteren.
Correspondentie van gedetineerden.
Nuh Uzun e.a. tegen Turkije, nr. 49341/18 en 13 andere, 29 maart 2022: het registreren en opslaan van correspondentie van gedetineerden in UYAP op grond van niet-gepubliceerde instructies van het ministerie van Justitie die niet toegankelijk waren gemaakt voor de gedetineerden, voldeed niet aan het vereiste van de “kwaliteit van de wet” en was niet “bij wet voorzien”.
Afwijking (artikel 15).
Pişkin tegen Turkije, nr. 33399/18, 15 december 2020: ook tijdens een noodtoestand moeten de rechtsstaat en waarborgen tegen willekeurige inmenging worden geëerbiedigd. Een afwijking op grond van artikel 15 neemt de noodzaak van adequate waarborgen en doeltreffende rechterlijke toetsing niet weg.
Tenuitvoerlegging en latere rechtspraak.
*Canavcı e.a. *blijft onderworpen aan de tenuitvoerleggingsprocedure van artikel 46. Het toezicht op de uitvoering van
*Nuh Uzun e.a. *werd op 3 september 2025 door het Comité van Ministers afgesloten (CM/ResDH(2025)216). Benli tegen Türkiye, nr. 29949/20, 15 september 2026, is een definitief arrest van een comité van drie rechters waarin de vaste rechtspraak uit *Canavcı *en *Nuh Uzun *wordt toegepast op respectievelijk het toezicht op gesprekken met advocaten en de opslag van correspondentie van gedetineerden in UYAP.